Extraatje voor de vorster

De vorster? Ja, we schrijven het jaar 1761 en de vorster, dat is de veldwachter. Tegen een vorstelijk salaris (vorst = onder nul) doet hij zijn belangwekkend werk.

De vorster is de man die met veldwachterlijke autoriteit en als rechterhand van de schout de orde in het dorp bewaart. Voorwaar geen sinecure? Och, dat valt wel mee. Bakel en Milheeze zijn heel brave dorpen. Er gebeurt natuurlijk wel eens wat, maar heel vaak gebeurt er helemaal niets. Misschien is om die reden het jaarlijks traktement voor dit ambt vastgesteld op twintig hele guldens, en daar kan Hendrik Rijsterbergh, de man die dit beroep met passie uitoefent, echt niet van leven. Nu is het hier een goed gebruik om de vorster de kans te geven wat bij te verdienen. In de oogsttijd rijdt hij met zijn kar alle hoeven, keuterboerderijtjes en andere bedoeninkjes af, en vraagt beleefd om een oogstgift. De boeren geven dan naar vermogen. Niemand geeft niets, dat zou een hoop roddel in het dorp opleveren. Ook met Pasen maakt de vorster zo’n rondgang en komt dan met een hoop eieren thuis. Nu zouden de edelwelachtbare heren - zo moet je ze nu eenmaal aanspreken - van de Leen- en Tolkamer over de Hoofdstad en Meierij van ’s-Hertogenbosch hun aanspreektitel blijkbaar niet waard zijn, als zij niet precies geïnformeerd worden over de waarde der giften die de twee jaarlijkse rijtoeren van de Bakelse vorster opleveren. Welnu, dat is omtrent ter somme van zestig gulden. Inderdaad, dat is drie keer zoveel als Hendrik Rijsterberghs jaarwedde, maar tegelijkertijd wil ik die knakkers in Den Bosch toch wel even duidelijk maken dat het dan nóg een fooitje is. Letterlijk en figuurlijk.