Archiefgebouw

Het gemeentearchief Gemert-Bakel is gevestigd in de Latijnse school. Die school werd gesticht in het jaar 1587. Daartoe werd een hoeve aangekocht, die tot school verbouwd kon worden. Maar ook toen al bestond het begrip "Verborgen gebreken" ...

1598

Idyllisch

Frans Schenkels Jaspers heft zijn handen in onschuld.

Toen ik nog in het huis woonde waar nu de school is, liep er een sloot van de schoolgracht naar de Rips. Als het water in de gracht te hoog stond, kon het via die sloot afwateren.

Maar pastoor Strijbosch, in zijn hoedanigheid van rector van de Latijnse School, laat zich niet afschepen. Hij heeft sterk het idee dat de aankoop van de hoeve van Frans een kat in de zak is geweest. Het is veel te vochtig in de school en soms wordt er meer gehoest dan onderricht gegeven. Frans maakt een bezwerend gebaar.

Ik heb er zestien of zeventien jaar gewoond en het water in de kelder stond nooit hoger dan omtrent een hand hoog. Je kon er met klompen aan gemakkelijk in lopen.

Hij schuift zijn dienstmaagd naar voren. Deze Kaatje Thijs heeft wel vijf jaar bij Frans gewerkt en vertelt dat zij nooit heeft meegemaakt dat er waterschade door de schoolgracht is veroorzaakt. Nee, er kwam in die tijd geen water in de kelder.

De pastoor vraagt het aan vier, vijf andere getuigen, omwonenden van de Latijnse school. Die weten allemaal nog van de verbindingssloot met de Rips, die uitliep op een kuil vlak naast het riviertje. Die kuil was een ideale plaats voor kinderen om te spelen. Ze zetten er watermolekens in het water of maakten er dammetjes. Er stond een perenboom in de bocht van de gracht, en er groeide gras en brem en dorenstruiken. Er werden elzenbomen geknot en soms zelfs geheel omgezaagd. Michiel Diercx ging er zijn schapen hoeden. Er stond zelfs een elzenboom midden in de gracht. Een idyllisch landschap, een hof van Eden welhaast.

Aan dat alles heeft de pastoor geen boodschap. Als het dan toch op iets bijbels geïnspireerd moet zijn, haalt hij er liever de ark van Noach bij. En als Frans zegt dat hij met zijn klompen gewoon in het water van de kelder kon lopen, nou, dat moet ie nu maar eens doen. Hij zou gelijk Onze Lieve Heer óver het water moeten kunnen lopen. Die Frans is er zo één van ‛na mij de zondvloed’, maar daar pompt pastoor Strijbosch de nattigheid niet mee weg. Er moet iets gebeuren. Maar wat?