Dagboek van een drossaard

Dankzij een vondst van Wim Jaegers is het gemeentearchief in het bezit gekomen van kopieën van de 150 folio's die drossaard De la Court heeft volgeschreven in de tijd dat hij in Gemert in functie was. Hieronder volgt een samenvatting van zijn belevenissen en dorpsobservaties.

1789

Een drost is altijd op zijn post

Drossaard Peter Adrianus de la Court is aan het eind van zijn carrière weer gewoon secretaris geworden. Waarom? Misschien is hij helemaal niet weggewerkt. Misschien was hij zijn baan beu en het zat om altijd de boeman te spelen. Want dat hoort bij het ambt van drossaard. Je moet meestal uiterst impopulaire maatregelen nemen en er zijn genoeg mensen in het dorp die uitkijken naar jouw aftreden en er zijn er zelfs een paar die zo’n bloedhekel aan je hebben dat jouw terugtreden hen niet genoeg is. Jouw dóód, dat is de ware verlossing. Inderdaad, sommigen willen Magere Hein in dezen graag assisteren, ook al omdat je bekend staat als aanmatigend, arrogant en zéér onaangenaam.

Maar goed, orde moet er zijn en de drossaard is er om die orde te handhaven. Bovendien moet de drost alle afkondigingen en verordeningen administreren en daarmee handhaaft hij ook de herinnering ...

De honden in het dorp moeten regelmatig vastgelegd worden, meestal voor een periode van negen weken. Men is dan bang voor de razernij, de hondsdolheid. In de lente krijgen de honden een stok voor de hals gebonden zodat ze niet op jonge haasjes en konijntjes kunnen jagen. Het jongwild van de edele heer commandeur mag natuurlijk niet worden gestoord  ...

Vaak wordt er een schouw aangekondigd. Met name de half-aprilse schouw wordt groots aangepakt. Dan worden sloten, dijken, straten, ashopen en de Peel gecontroleerd en trekken de heren dorpsbestuurders door de straten en velden. Een schouwdag wordt immer afgesloten met een voedzame maaltijd op de secretarij en dan wordt natuurlijk alles onder het genot van een roemer wijn nog eens stevig nabeschouwd.

Aan het begin van elk nieuw jaar worden twee borgemeesters en een Peelmeester in eed gesteld. Des zondags na Drie Koningen worden de nieuwe borgemeesters geproclameerd, en er wordt afgeroepen hoeveel beden de borgemeesters van het vorige jaar zullen ophalen. Medio november wordt bekend gemaakt dat de borgemeesters, net als de arm- en kerkmeesters, rekening zullen afleggen over ‛hun’ jaar.

Meerdere keren per jaar krijgen de rotten, de wijken van Gemert, te horen dat ze mensen moeten leveren voor het repareren en schoonmaken van de kasteelgracht, van de Peelse Loop, de Rips, een deel van de Straat, of het aankarren van de molenbergen. En de gribben, de afvoergreppeltjes in de straten moeten natuurlijk ook open gehouden worden, anders wordt het tijdens langdurige regen één grote modderzooi.

            ‛Het slijk in de straten moet op hopen worden geworpen.’

In het voorjaar geeft men de traditionele waarschuwing af geen schapen te hoeden op de broeklanden, geen mei-eieren te gaan vragen, en geen open vuren te stoken in Handel.

Lastig zijn de verordeningen over het steken van plaggen, de zogenaamde tüssen, want sommige mensen mogen dat altijd, althans op bepaalde plaatsen, en anderen alleen op bepaalde dagen. De verleiding om dat dan ook op een ongeoorloofde dag of plaats te doen is groot, net zo groot als het aantal uitgedeelde boetes.

Als de commandeur overlijdt moet de drost ervoor zorg dragen dat de kerkklokken drie weken worden geluid. Verwisselt onverhoopt de landcommandeur het tijdige met het eeuwige, dan luiden de klokken zes weken aan een stuk. Nou ja, overdags dan toch.

Een permanente bron van zorg voor de drossaard zijn de veelvuldige vechtpartijen! Waar je met een mes al niet in kunt snijden! De gehele menselijke anatomie komt voorbij. Nee, je mag al blij zijn als het blijft bij de mededeling dat het slachtoffer zo hard met een stok op het hoofd is geslagen, dat het bloed er ‛sterk’ uitloopt. Maar ja, ook met een stok kun je te hard slaan.

            ‘Wij hebben bevonden dat het cranium (de schedel) op drie plaatsen is gebarsten.’

En dan die eeuwige angst voor een allesverzengende dorpsbrand! Publicaties om aan te geven waar de brandemmers zijn, het bevel een ladder bij de deur te zetten en een grote ordonnantie tegen het tabak roken en het gebruik van lantaarns in schuren en stallen zijn nooit afdoende. Je moet niet hekelen bij kaarslicht! Vaak is er de melding van een beginnende brand die Godlof nog te blussen valt. Soms is men er op tijd bij als een onverlaat een lont in het haverstro heeft gelegd. Op 22 augustus 1786 is brand uitgebroken bij Cornelis van der Aa, op het Lindereind. Het vuur kon gelukkig worden geblust. De volgende dag, bij het van het dak verwijderen van het geblakerde stro, zijn twee stukjes aangestoken laken ontdekt. Het loopt vaak goed af, zelfs bij brandstichting. Maar onvermijdbaar gaat het af en toe helemaal mis. Op 10 augustus 1780 breekt er om drie uur 's middags brand uit in het eerste huis over de Rips. In een uur tijd zijn vierenzestig huizen, de schuren niet meegerekend, van de aardbodem verdwenen. Als alles geblust is worden er delegaties naar Haarlem en andere Hollandse plaatsen gestuurd, om daar bedeladvertenties in de kranten te zetten en collectes te organiseren.

Vijf jaar later is het wéér raak. Omtrent de middag is brand ontstaan in de Molenstraat en een uur later zijn negenennegentig huizen alsmede de Duitse school in de as gelegd.

            ‛De schouwen in de huizen moeten worden veranderd, strooien huisjes moeten worden afgebroken en de ashopen moeten verder van de     huizen komen te liggen. En de brandspuit moet worden gerepareerd.

Maar deze verordeningen beletten ene Paulus Roefs niet om doodgemoedereerd vernis te gaan koken, in huis! Daarbij is zijn broer Martin deerlijk verbrand, maar de brand zelf is gelukkig gestuit.

Drossaard De la Court is ook heel fanatiek in het tellen van de maanden die verlopen tussen elk in Gemert gesloten huwelijk en de geboorte van het eerste kind. Het voortijdig beslapen is hem namelijk een grote gruwel maar vanwege de op te leggen boetes tegelijkertijd een prettige bron van inkomsten.

En:

            ‛Vreemde bijen moeten buiten Gemert worden gebracht.

            ‛Vreemde ingekomenen moeten een ontlastbrief meenemen.’

            ‛Er moet steengruis op de straten worden gebracht.’

            ‛De inwoners moeten een kar turf leveren op het kasteel.

            ‛De treksloten moeten worden gereinigd.

            ‛Na tien uur ’s avonds mag er niet worden getapt.’

            ‛Iedereen die hout uit het gemeentebos heeft gekocht, moet meehelpen de wortels van    de bomen uit de grond te werken.

            ‘Tabak roken op straat is verboden.’

            ‘Verbod op het stropen van veldhoendereieren. Nee, patrijzeneieren mogen ook niet.’

 

Verder worden de kinderen gewaarschuwd om tijdens de Hoge Dienst zich niet op het sacrarium en hoge koor te begeven, wordt er een nieuwe kaak, een schandpaal opgericht, moet in december de straat van de kerk tot de brug leeg worden gemaakt en is er de melding dat de Boterwaag opnieuw verpacht wordt.

De bruidjes die het Onze Lieve Vrouwebeeld dragen tijdens de processie, hoeven geen boete te krijgen als ze tijdens de mis in een herberg samenkomen. Er mag natuurlijk absoluut geen besmet vee worden meegenomen van besmette marktplaatsen, en als de gevreesde rode loop - de kleur van de diarree - heerst dan zijn daar goedbedoelde bepalingen tegen het verhandelen van witte kool, druiven, pruimen en noten. Er mag geen vlas in de sloten worden gerot en geen klot uit het Cleefswit worden gehaald!

De drost wordt geroepen als Mathijs van den Berg door een roede, een wiek, van de oude stenen molen wordt getroffen en even daarna aan zijn verwondingen overlijdt. En och, daar is een kind verdronken. De drost regelt de lijkschouwing. En dan die Liesbeth Riddermans. Er is haar op 17 juli toch duidelijk gezegd dat ze binnen vier uur uit het huis van Jan van de Kerkhof diende te vertrekken, maar op 19 september is ze er nóg. De drost laat haar ophalen en zet haar op het kasteel in gijzeling. Ze is daar zo buiten zichzelf geraakt, dat de dokter en de pastoor erbij zijn geroepen en nu is ze maar weer vrijgelaten. Het heeft vast iets te maken met het geloof - Liesbeth is de dochter van de gereformeerde koster - en het feit dat ze enige jaren geleden vlak voor haar trouwdag zwanger en wel in de steek werd gelaten. Misschien dat ze zich daarom zo aan haar nieuwe liefde Jan vastklampt. Acht jaar later is die Jan van de Kerkhof, Jan Kets heet hij in de wandeling, ’s nachts door vreemde personen van zijn bed gehaald en weggevoerd op een kar. ‛Zonder mijn kennis’, laat drossaard De la Court uitdrukkelijk weten. Het gerucht gaat dat Jan in een veld boven de Mortel, aan de rand van de Peel, vier dagen begraven is geweest en daarna weer is opgegraven en naar een andere plaats is gebracht. Maar dat is duidelijk een gerucht, want weer twee jaar later, op 23 juni 1788 verlost de chirurgijn Elisabeth Riddermans, ongehuwd, van een dochter. De geboorte vindt plaats in het huis van, jawel, weduwnaar Jan van de Kerkhof, die erkent dat hij de vader is. Liesbeth noemt hem ook altijd ‛haar man’ ... Het dochtertje heeft maar een paar maanden geleefd.

Iemand heeft de waterkuip op de Markt omgegooid. Vijfentwintig gulden beloning voor degene die de dader aangeeft. En er is nogal eens gejoel een paar meter verderop, bij de Gereformeerde kerk.

‛Het storen van de Gereformeerde godsdienst moet afgelopen zijn!’

Joost, wonende op Tereiken, is dood gevonden bij de Armenhoeve. Zijn lichaam is gevisiteerd. Niets gevonden.

En de vrouw van Henrik Manders is, springlevend gelukkig, gevonden op een akker. Enige baldadige lieden hadden haar ’s avonds voor de ploeg gespannen.

In de nacht van 8 op 9 oktober is er ingebroken bij Corstens. De volgende dag heeft de speurende drost een breekijzer gevonden in de schuur van Mathijs van Handel in de Deel, in een rood-groen foedraal.

De vroedvrouw heeft Annemie van den Eijnde verlost van een zoon en een dochter. De ongehuwde moeder van de tweeling verklaart dat de vader óf Martinus Verhofstad óf Marten Horsten moet zijn. Ieder één dan maar?

Een generatieconflict! Vader Nol van den Bogaert slaat zijn zoon met een spade een enorm gat in diens hoofd.

Een geluksgetal? Jan Laermans is aan zeven wonden alhier op het klooster overleden. De dokter en chirurgijn hebben het lichaam gevisiteerd. Als u in de Bossche Courant het signalement van Adriaan Riddermans ziet: die heeft het gedaan!

Op 17 september 1780 is door een persoon, buiten medeweten van de drost, tijdens de vroegmis meegedeeld dat als iemand verzocht wordt te tekenen voor een rechtvaardige zaak, hij ‛op doodzonde’ verplicht is dat te doen. Vervolgens is een aantal mannen dagenlang met een dik boek door Gemert getrokken en alle huizen binnengegaan om de lieden te verzoeken te tekenen. De drost vraagt zich ongerust af wat er aan de hand is.

Oud-Gemertenaar Van den Eijnde, tegenwoordig pastoor in een Fries dorp, bezoekt zijn geboorteplaats. Als hij bij het Aa-huis, op de grens van de Commanderij, wordt ontvangen, blijkt hij een oranje lint om zijn hoed te hebben. Schepen Walraven Corstens neemt hem dat lint af, want ‛ik kan dit niet zien’ en dreigt het te verbranden. Een rel kan worden onderdrukt door het compromis dat van den Eijnde bij vertrek uit het dorp zijn lint terug krijgt.

Op 4 februari 1784 heeft Francis van de Wassenberg in Handel zelfmoord gepleegd. De drost hoort de getuigen en verneemt dat Francis ’s avonds zijn kousen en hemd heeft uitgetrokken en naar de opkamer ging om te gaan slapen. Kort daarna hebben zij een schot gehoord en toen ze gingen kijken lag Francis op de grond, met een wond omtrent het hart.

De drost maakt zich druk over het feit dat dominee Pannekoek, niet de meest populaire persoon van het dorp, de beukenplanten bij het protestantse kerkhofje die als afscheiding met de straat dienden, heeft uitgegraven en heeft neergezet rondom het poepkuiltje.

Maar er moet ook een brief naar Den Bosch worden geschreven, om muzikanten naar Gemert te halen voor de feestelijke inhuldiging van de nieuwe landcommandeur.

En het dorpsbestuur van Erp heeft geklaagd over Gemertse stropers die de Erpse fuiken in de Aa lichten.

In dit laatste jaar, 1789, ligt drossaard De la Court overduidelijk overhoop met de schepenen. Hij wordt gemaand naar het Boterhuis te komen, maar weigert. Wanneer een delegatie van de schepenen bij hem aan de deur komt, doet de drost alsof hij niet thuis is. Hij wordt verwacht op de secretarij, maar wendt onpasselijkheid voor. Hij wordt naar eigen zeggen door sommige schepenen geaffronteerd en kwalijk bejegend. Op het kasteel krijgt hij te horen dat hem een boete van 529 gulden is opgelegd.

 

De la Court mag wel secretaris blijven, maar zijn aanzien is hij kwijt.

            ‘Thomas Puijten is aan mijn huis gekomen, liet naar mij vragen en mij ziende zei hij:      Peeroke is een schele.

             Hij legde uit dat hij gewed had dat hij dat zou durven doen.’

Peeroke is blijkbaar de bijnaam van de ex-drossaard. De teloorgang van het instituut P.A. DE LA COURT, de man die ooit bij wijze van gezagsuitoefening maar vooral ook uit hobby met de platte zijde van zijn sabel corrigerende meppen uitdeelde, kan niet beter in beeld worden gebracht.