Passen in de peel

Nog niet zo heel lang geleden deed zich een kwestie voor tussen Italië en Oostenrijk. Ergens in het Alpen-grensgebied lag een dode man.

De politiemachten van beide landen hadden geen zin in het onderzoek en stelden vast dat het lichaam zich aan de andere kant van de grens bevond. Later bleek dat het een ingevroren dode van duizenden jaren geleden betrof. Een belangwekkende vondst!

Ook in de dorpen aan de Peel had de politiemacht van toen (schout, schepenen, vorster) niet altijd zin in een klus ...

920 passen
Vijf Venrayse voerlieden rijden in het jaar 1666 in het gloren van de vroege ochtend met hun dokkerende karren door de immense Peel. Ze zijn op weg naar Gemert, het is daar marktdag, er valt vast wel wat te verdienen. Helaas, het is zo’n dag waarop je achteraf tot de conclusie komt dat je maar beter thuis had kunnen blijven. Zes gewapende ruiters komen de Venraijse mannen tegemoet, maar zijn verder totaal niet tegemoetkomend. Zij beroven de voerlui van al hun geld, negentig gulden en elf schellingen in totaal.

De grote vraag is: waar is het precies gebeurd? Welk rechtsgebied, welke overheid moet deze flagrante schending van de rechtsstaat gaan onderzoeken, de daders opsporen en berechten?

Zuchtend noteren de schepenen van Gemert:

            ‛Wij hebben ons omtrent de Voorpeelberge vervoegd, een plek tussen Gemert en Venraij.

Daar wijzen de Venraijse kerels de plaats des onheils aan. Er wordt gepast, er wordt gemeten, er wordt voor alle zekerheid nog eens gepast. De weidsheid van de Peelvlakte biedt immers maar weinig aanknopingspunten. Waar ligt de grens?

Er valt niet aan te ontkomen. Werk aan de winkel voor het Gemerts justitiële apparaat. De plek van de overval ligt negenhonderdtwintig passen op Gemertse grond. Afgepast!