Ruijsschenberghstraat heette vroeger de Schoolstraat

Het gemeentearchief bevindt zich in de oude Latijnse school in de Ruijsschenberghstraat. Vroeger, toen deze straat nog de "Schoolstraat" heette, stonden er de mooiste huizen van Gemert.

1736 - Dure buurt of vergane glorie?

De Schoolstraat. Dat is bij ons in Gemert de dure buurt. Daar staan de grote huizen. Pastoor Gautius woont er en de beroemde orgelbouwer Mathias Verhoffstadt. Tegenover de Latijnse school. Maar de vergankelijkheid der dingen en de vergankelijkheid van ons allen geldt óók in dat dure straatje. Pastoor Gautius is onlangs overleden en zijn orgelbouwende buurman heeft eveneens het tijdige met het eeuwige verwisseld. De nieuwe bewoners van hun huizen worden geconfronteerd met enig achterstallig onderhoud. De opvolger van Gautius, de eerwaarde heer Wilhelmus Thijssen, nodigt de drossaard en de schepenen uit eens een kijkje te komen nemen.

‛Na genomen oculaire inspectie hebben wij bevonden dat het leien dak op diverse plaatsen ongerepareerd is. Het lekt zodoende op zolder en dat water vindt vervolgens een weg naar de benedenvertrekken. De vloerplanken zijn daardoor rot en bedorven. Ook de houten ramen, vensters en de ruiten - vanwege de grootte van het huis zeer talrijk - zijn versleten. En de muur van het bijbehorende kleine huis dreigt om te vallen.’

Herstel van dit alles kost, naar het oordeel van schepen Willem Ansems van Hout, die ook meester-timmerman is, omtrent 300 pattacons.

En wij maar denken dat zo’n dorpspastoor grote sigaren en zúlke bellen wijn zit te consumeren in een comfortabele leunstoel op een prachtig gelakte houten vloer. Droog! Mooi niet dus. Als die Wilhelmus Thijssen de onbedwingbare neiging krijgt het urbi et orbi voor het Gemertse volk uit te spreken, dan dondert ie met raamkozijn en al naar beneden.

Op naar de buurman. Dat is medisch dokter Ignatius van den Dijck, pas getrouwd met Anna Bijnen, de weduwe van Mathias Verhoffstadt. Het huis bestaat uit een vierkante bouw, heeft vier benedenvertrekken en drie kamers op de verdieping. Een brede gang deelt het huis in tweeën, ook boven. Er zijn vier schoorstenen, zwaar van steen. Dat klinkt stevig en degelijk.

‛Maar de eiken plaat op de ribbe van de tweede zolder is geheel afgebroken, de muur op de eerste verdieping wijkt sterk naar buiten, de muur boven de blinde ramen oostwaarts is gescheurd en ook de paal waar de zwaarte van twee schoorstenen op rust is doorgebogen. De bouw oostwaarts is in perikel van ruïne. Kamers ontberen vloeren en zolderingen en de muren zijn niet bezet. Op de bovenkamers noord- en oostwaarts valt geen licht door de ramen.’

Dat ziet er dus donker uit. Ik kom er achter dat ik in een achterbuurtje werk.