Brief van Aartje van Asseldonk

Brief waarbij A. van Asseldonk zich ten overstaan van het gemeentebestuur verdedigt tegen de aantijgingen als zou hij de oorzaak zijn geweest van het op 4 februari 1849 plaats gehad hebbende oproer en waarin hij tevens solliciteert naar de functie van gemeentebode, 1849 (1850).

Bron: Gemeentearchief Gemert-Bakel, Archief van het gemeentebestuur van Gemert 1813-1926 (AG.003), inv.nr. 6112

 

Aan het Bestuur dezer gemeenten

Waar de gemeentenaaren geduld nog een weinig meine woorden te overweegen

De Natuer van den mensch zoekt alteid haar eigen voordeel en zei gedenkt alteid wat baat zij kan trekken van andere maar om eigen baat heb ik zulks niet gedaan den 4 februari van 1849 thoen ik mei aan alle gevaar heb blootgesteld voor het welvaaren van de gansche gemeente maar zal imand zeggen De gansche gemeenten in oproer gebragt neen verre van daar twee daagen waar de gemeenten al aan het weelen eer dat ik er its van had geweeten totdat er zondags naar den middag een groot partei bei meij zijn aangekoomen als uitzinnige menschen den eenen wouw krabben den anderen wou beiten een andere wouw glaazen inslaan zommigten wouwden ophangen andere branden en zoo voorts maar ik heb haar alle zien te bedaaren om haar zelfven niet ongelukkig te maaken en wat is er gebuert voor meene getrouwwigheid eenige daagen laater hier in de gevangenis gezet en door de getrailes moeten zien het lammenteeren en het hart drukkend woord Ach vaader van mijne arme kinderen te moeten hooren en wat nog meer met de boeijen beladen als een dief of moordenaar en hoe veel honderden kunnen getuigen hoe ik de weellende menschen heb toegeroepen dat zij tog zouden voorzichtig weezen en gaan naar hun werk en brood te verdienen en dat zei en zondag een half litterken bier zouden kunnen gaan drinkken en zoo ben ik voor Gemert uit Gemert zien te koomen en waardoor Gemert ook niet is benaadeeld. Want aan de werkkende klasse van ons ambagt en door de meennigte van ider perzoon een half centijen per dag beloopt nog 12 hondert guldens op het jaar en nog daarenbooven wat rust en veiligheid heeft Gemert nog verkregen van een Brigaade Mareichees  maar dit alles mag ik niet aan mij toegeschrijfen maar aan God die door mei zulks bewerkt heeft maar ik beloef nog dezelfde getrouwigheid aan de ganze gemeente wanneer ik als inbooreling van deeze gemeenten de gunst moogt bekoomen om het regt als booden te bekleeden maar zal imand zeggen Veigenboom heeft zulks eerelijk lang en trouw bedient en mischien zijn lichgaam daar aan opgedraagen hier mag ik antwoorden het is waar maar luisterd ook eens naar mijn ik heb al dertig jaaren mijn lichgaam aan het weerken opgedraagen en altoes te kort geschooten en Veigenboom is hier bekoomen ik heb omtrend een oog verlooren en zulks kan ik aan hem niet bespueren ik heb moeten klappertand en zijn huishouden heeft volkoomen onderhout ik ben een inbooreling en hei een vreemdeling en tog gun ik aan hen wat ik aan mijn zelven gun want God wil dat wei alle zouden leeven en dit wil en gun ik ook aan hem maar op zulk een manier om zulks gezamentlijk te bedienen want ik misgun aan nimand het welvaaren.

Ik blijve met achting uwen getrouwen dinaar.

A. van Asseldonk